Zoals in het vorige hoofdstuk aangegeven, is een bestuurslid van een vereniging in beginsel niet persoonlijk aansprakelijk voor rechtshandelingen die hij/zij (al dan niet samen met de overige bestuursleden) namens de sportvereniging verricht. In enkele gevallen kan een individuele bestuurder (of het voltallige bestuur) echter wél worden geconfronteerd met persoonlijke aansprakelijkheid.

Er kunnen zich drie situaties voordoen:

  • Aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de vereniging
  • Aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover derden
  • Aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van de anti-misbruikwetgeving

Aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de vereniging (interne aansprakelijkheid)

Iedere bestuurder is ten opzichte van de vereniging verplicht op een behoorlijke wijze zijn/haar bestuurstaak te vervullen. Als de bestuurstaak niet naar behoren wordt uitgevoerd, kan dit in bijzondere gevallen een aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de vereniging met zich meebrengen, en wel voor de schade die de vereniging heeft geleden als gevolg van de gedragingen van de bestuurder. Dit volgt uit artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Hiervan kan alleen sprake zijn als sprake is van

  • onbehoorlijk bestuur van het betreffende bestuurslid;
  • dit onbehoorlijke bestuur schade voor de vereniging met zich mee heeft gebracht en
  • de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Wanneer de tekortkoming niet aan de bestuurder valt te wijten en hij/zij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen ervan af te wenden, is de bestuurder niet aansprakelijk.

De wet geeft niet aan wie binnen een vereniging de mogelijkheid heeft om een bestuurslid aansprakelijk te stellen. In ieder geval kan de algemene ledenvergadering dat. In het geval van een faillissement van een stichting komt deze bevoegdheid toe aan de curator.

Zaken die kunnen leiden tot aansprakelijkheid van een bestuurder

Uit de rechtspraak blijkt dat onder meer de volgende zaken kunnen leiden tot aansprakelijkheid van een bestuurder:

  • handelen in strijd met de statuten van de vereniging;

  • het verwaarlozen van de boekhouding van de vereniging (hieronder valt ook het niet tijdig opmaken en publiceren van de jaarrekening en het geven van een verkeerde voorstelling van zaken in de jaarrekening);

  • oneigenlijk gebruik van - of fraude plegen met - financiële middelen van de vereniging (bijvoorbeeld beslissingen nemen die grote financiële gevolgen hebben voor de vereniging, zonder dat daar een goede voorbereiding en belangenafweging aan ten grondslag ligt, geld verduisteren of beleggen met verenigingsgeld);

  • tegenstrijdige belangen behartigen, als bestuurder van de vereniging enerzijds en privé persoon anderzijds (een tegenstrijdig belang heb je als je door een persoonlijk belang of betrokkenheid niet in staat moet worden geacht om het belang van de vereniging integer en onbevooroordeeld te bewaken);

  • het niet tijdig informeren van de toezichthouders van de vereniging over misstanden en tegenslagen die het voortbestaan van de vereniging in gevaar kunnen brengen;

  • het aangaan van financiële verplichtingen waarvan het bestuur weet of redelijkerwijs behoort te weten dat deze niet kunnen worden nagekomen;

  • subsidies aanvragen terwijl je als bestuurder weet of redelijkerwijs behoort te weten dat de vereniging niet aan de voorwaarden voor subsidieverstrekking voldoet;

  • geldbedragen verstrekken aan derden, zonder dat daar een goede grond voor is en afdoende zekerheid wordt gesteld door de leningnemer (hieronder valt bijvoorbeeld ook het vooruit betalen van een aannemer die voor de vereniging het clubhuis gaat verbouwen. Als deze aannemer failliet gaat, kan de vereniging de bestuurder in privé aansprakelijk stellen, wanneer de bestuurder geen kredietwaardigheidstest heeft uitgevoerd bij de aannemer, of de aannemer zekerheid heeft laten stellen);

  • het niet aanhouden en reserveren van voorzieningen voor voorzienbare belastingschulden;

  • met onvoldoende kennis van zaken en voorbereiding besluiten nemen namens de vereniging;

  • het door een individuele bestuurder niet delen van belangrijke informatie met de overige bestuursleden.

Het bovenstaand overzicht is uiteraard niet limitatief. Er zijn nog veel meer situaties denkbaar waarin een bestuurder van een vereniging aansprakelijk kan worden gesteld.

Goede voorbereiding, gezond verstand en transparant handelen kunnen echter in veel gevallen aansprakelijkheid voorkomen. Er kunnen zich altijd omstandigheden voordoen waarin bestuurdersaansprakelijkheid dreigt. Bij twijfel doet het bestuur (en bij discussie tussen bestuurders onderling, de afzonderlijke bestuurder die vreest voor bestuurdersaansprakelijkheid) er goed aan juridische bijstand te vragen. In alle gevallen geldt, voorkomen is beter dan genezen: blijf als bestuurder bij je bevoegdheden en wees kritisch op je medebestuurders.

Aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover derden

De hoofdregel voor aansprakelijkheid is dat de vereniging aansprakelijk is en niet het bestuur. In de wet zijn echter enkele gevallen opgenomen waarin iedere bestuurder zelf aansprakelijk is tegenover derden. Derden zijn in dit geval alle personen en rechtspersonen (bijvoorbeeld een BV waar de vereniging mee contracteert) die niet lid zijn van de vereniging.

Niet voldoen aan inschrijving van de vereniging en de statuten

Op grond van artikel 2:29 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn de (eerste) bestuurders van een opgerichte formele vereniging met volledige rechtsbevoegdheid verplicht om de vereniging in te schrijven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en de notariële akte met statuten daar te deponeren. Zolang dat niet is gebeurd, zijn alle bestuurders persoonlijk hoofdelijk (dus ieder volledig) aansprakelijk voor alle rechtshandelingen waarmee ze de vereniging verbinden.

In andere woorden: als de vereniging niet is ingeschreven en de statuten niet zijn gedeponeerd, kan iedere bestuurder persoonlijk worden aangesproken wanneer de vereniging haar verplichtingen niet nakomt. Onder verplichtingen valt bijvoorbeeld het betalen van diensten die de startende vereniging afneemt, zoals de kosten voor de notaris, boekhouder en huur van de ruimte waarin de vereniging is gevestigd.

Onrechtmatige daad

Iedere bestuurder kan op grond van artikel 6:162 BW door iedere (rechts)persoon aansprakelijk worden gesteld voor een onrechtmatige daad die hij/zij heeft gepleegd namens de vereniging. Er moet dan sprake zijn van een rechtshandeling die in strijd is met de wet of hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. De maatstaf hierbij is of je als bestuurder, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, zodanig onzorgvuldig hebt gedragen dat jou daarvoor een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid wordt achteraf getoetst, naar de situatie zoals die was op het moment van onrechtmatig handelen, met alle kennis van zaken die je als bestuurder op dat moment had.

Voorbeelden onrechtmatige daad

Een voorbeeld is het geval waarin je als bestuurder van een sportvereniging selectief één schuldeiser van de vereniging niet betaalt, maar andere schuldeisers wel (selectieve wanbetaling). Als de vereniging later niet meer kan betalen en failliet gaat, bestaat er voor die ene schuldeiser de mogelijkheid om jou als bestuurder persoonlijk aansprakelijk te stellen.

Een ander voorbeeld is het laten verbouwen van het clubhuis van de vereniging, terwijl het onzeker is of de vereniging na oplevering van de verbouwen de kosten wel kan betalen. De aannemer kan, als er niet betaald kan worden door de vereniging, de bestuurder persoonlijk aansprakelijk stellen voor de financiële schade.

Als het aangaan van de rechtshandeling volgt na een bestuursbesluit (en de overige bestuursleden er dus mee hebben ingestemd, maar jij als individuele bestuurder uitvoering aan het besluit hebt gegeven), dan zijn de overige bestuurders ook aansprakelijk.

Aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van de anti-misbruikwetgeving

Het doel van de anti-misbruikwetgeving is het tegengaan van misbruik van rechtspersonen (in dit geval de vereniging). Deze wetgeving is alleen van toepassing bij verenigingen die vennootschapsbelastingplichtig zijn.

Op grond van de anti-misbruikwetgeving kunnen bestuurders hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld als de vereniging de volgende verplichtingen niet nakomt:

  • afdracht van omzetbelasting en/of loonbelasting;
  • afdracht van premies werknemers- en volksverzekeringen;
  • afdracht bijdrage voor verplichte deelname aan bedrijfspensioenfondsen.

Op grond van de wet bestaat een meldingsplicht. Als je als bestuur voorziet dat de vereniging de bovengenoemde verplichtingen niet kan nakomen, moet je daar direct schriftelijk melding van maken bij de betreffende instantie. Doe je dat niet, dan ben je als bestuur hoofdelijk aansprakelijk. Wees als bestuur(der) dus waakzaam voor betalingsonmacht en de tijdige melding daarvan.

Bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering

Er bestaat de mogelijkheid het bestuur van de vereniging te verzekeren tegen bestuurdersaansprakelijkheid. Dit kan de vereniging zelf doen, maar het is ook mogelijk om bij een overkoepelende sportbond aan te sluiten bij een collectieve aansprakelijkheidsverzekering.

Invoering bewijsvermoeden bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement van de vereniging

Met de komst van de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (de WBTR) komt er een bewijsvermoeden van bestuurdersaansprakelijkheid in het geval van faillissement van een vereniging die vennootschapsbelastingplichtig is. Dit is opgenomen in artikel 2:248 BW. Dit houdt in dat de curator in het faillissement de bestuurders aansprakelijk kan stellen voor het tekort, als er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Onbehoorlijk bestuur

Wanneer is er sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur? In ieder geval als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden hetzelfde zou hebben gehandeld en dit handelen (mede) tot het faillissement heeft geleid. Hierbij moet komen vast te staan dat de bestuurder heeft gehandeld met de (objectieve) wetenschap dat de schuldeisers van de vereniging werden benadeeld. Het vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur geldt onder meer als in de drie jaar voorafgaand aan het faillissement niet aan de boekhoudplicht is voldaan door het bestuur.

Als individuele bestuurder zal je moeten aantonen dat de onbehoorlijke taakvervulling door het gehele bestuur niet aan jou te wijten is en dat je niet nalatig bent geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van het onbehoorlijk bestuur af te wenden.

De raad van commissarissen of raad van toezicht kan door de curator aansprakelijk worden gesteld als blijkt dat de toezichthoudende rol niet goed is uitgevoerd.