Handboogteam Antwerpen 1920

1920, Olympische Spelen VI in Antwerpen
Sport: handboogsport
Onderdeel: landenteam, bewegend vogeldoel 28m
Prestatie: goud

Op de Olympische Spelen van 1920 wonnen de Nederlandse handboogschutters de gouden medaille. Heel opmerkelijk, omdat er in die tijd nog geen organisatie voor deze sporters bestond. Tijdens de huldiging werden ze ook nog eens uitgescholden voor kaaskoppen.

Door een samenwerking tussen de heer Redelé uit Dordrecht en het Nederlandsch Olympisch Comité slaagde ons land er in 1920 in om handboogschutters naar de Olympische Spelen te sturen. Omdat deze sport vooral in Brabant en Limburg populair was, werd er met verenigingen uit die regio contact gezocht om de beste schutters te vinden. Hiervoor werden proefwedstrijden georganiseerd van 26 tot en met 29 juni in Eindhoven. Het NOC moest dit dus zelf doen, omdat er nog geen bond bestond voor handboogschutters.

Een schitterend figuur
‘Na gehouden onderlinge wedstrijden,’ schreef De Tijd, ‘waaraan ongeveer 50 Vereeningen van Noord-Brabant en Limburg deelgenomen hebben, zijn 8 personen aangewezen, om Nederland op de Olympische spelen te Antwerpen te vertegenwoordigen. De resultaten van deze oefenwedstrijd waren zeer bevredigend.’ Deze ploeg bestond uit zeven Brabanders en één Limburger.

Ondanks de afwezigheid van een handboogorganisatie wonnen de Nederlanders de gouden medaille. ‘Op de Olympische spelen te Antwerpen heeft Nederland, wat betreft de Handboogschutterij, een schitterend figuur geslagen’, jubelde de Limburger Koerier daarom. Hierbij is het wel handig om te weten dat er slechts twee tegenstanders waren in die wedstrijd: België en Frankrijk.

De omstandigheden voor de Nederlanders waren wel weer bijzonder moeilijk, omdat de Belgische organisatie ronduit vijandig was. Het Limburgsch Dagblad meldde hierover: ‘Steen en been werd geklaagd over de allertreurigste organisatie terwijl het optreden van de Belgische comité-leden en vooral van de deelnemende schutters tegenover onze schutters ver beneden peil was. Sportgeest was er ten eenenmale vreemd. Zoo wisten ze eerst bijna te bewerken dat de Hollanders niet in hun hemdsmouwen mochten schieten, doch met hun jassen aan.’

Zelfs tijdens het uitdelen van de prijzen werden onze landgenoten gepest, merkte Het Vaderland op: ‘Toen de Nederlandsche handboogschutters kampioen waren geworden zongen zij met volle borst het Nederlandsche volkslied. Sommigen uit het publiek misgunden den Nederlanders het kampioenschap en scholden van kaaskoppen. Onze kranige handboogschutters stoorden zich er echter niet aan en zongen des te luider het Wien Neerlandsch bloed.’ (In die tijd was het Wilhelmus nog niet officieel als volkslied vastgelegd.)

Bij thuiskomst werden de kampioenen goed in het zonnetje gezet, zoals Jos Packbiers uit Maastricht. Het bestuur van zijn club Concordia wachtte hem bij het station op om luidkeels hoera te roepen toen hij de trein verliet. ‘De voorzitter van Concordia sprak dhr. Packbiers namens het bestuur der vereeniging welkomstwoorden toe en wenschte hem onder aanbieding van een prachtig bloemstuk geluk met het schitterend succes, waardoor hij Limburgs en Maastrichts en speciaal Concordia's eer op zoo uitstekende wijze heeft hooggehouden.’ De nieuwe kampioen werd daarna gehuldigd op het stadhuis.

Gelukkig werden niet alleen de sporters zelf op een voetstuk gezet, maar ook de heer Redelé uit Dordrecht, die zoveel moeite had gedaan om tot dit succes te komen. Twee jaar later werd de Algemene Nederlandsche Bond van Handboogschutterijen om voor eens te regelen dat er Nederlanders zouden meedoen aan de Olympische Spelen.

De Nederlandse ploeg bestond uit Janus Theeuwes, Piet de Brouwer, Driekske van Bussel, Joep Packbiers, Jo van Gastel, Tiest van Gastel, Janus van Marrienboer en Theo Willems.

Foto: Jo van Gastel, lid van de Nederlandse boogschuttersploeg die goud won.

Bronnen:
• www.sportgeschiedenis.nl
• Foto: Kroniek Olympische Spelen, NOC 75 (Elsevier 1987)