Er vindt veel onderzoek plaats naar talentherkenning en -ontwikkeling, waardoor steeds nieuwe inzichten worden verkregen. Veel van de onderzoeken over talentontwikkeling in de sport hebben daarentegen, net als bij onderzoek naar topsporters, een aantal tekortkomingen. Denk hierbij aan onder andere:

  • onvoldoende helder gedefinieerde doelgroepen;
  • veel generiek en niet sportspecifiek onderzoek;
  • onderzoeken die zich focussen op een enkel puzzelstukje en deze niet plaatsen in de totale puzzel van talentontwikkeling en de bijbehorende consequenties. Kortom, de onderzoeken zijn onvoldoende holistisch, ontwikkelingsgericht en interdisciplinair opgezet.
  • conclusies die gebaseerd zijn op gemiddelden en niet op de data van de sporters die daadwerkelijk het mondiale seniorenpodium wel of net niet hebben bereikt.

Om toch houvast te bieden, hebben verschillende onderzoekers en praktijkdeskundigen de beschikbare kennis en ervaring verwerkt in een zelf ontworpen ‘talentontwikkelingsmodel’. Denk hierbij, binnen de sport, aan populaire modellen als:

  • Long Term Athlete Development (LTAD) model uit Canada (Canadian Sports for Life, 2016); 
  • Foundation, Talent, Elite, Mastery (FTEM) model uit Australië (Gulbin et al., 2013);
  • Athletic Skills Model (ASM) uit Nederland (Wormhoudt et al., 2013).

De makers van deze talentontwikkelingsmodellen geven hun visie op de ontwikkeling van jonge kinderen naar topsport, met een leven lang plezier beleven aan sport als hoofddoel. Wat deze modellen gemeen hebben is

  • (1) het gezamenlijke startpunt voor alle kinderen om te gaan sporten,
  • (2) de doorgroei naar een carrière als topsporter of sportparticipant en
  • (3) het gezamenlijke eindpunt om mensen een leven lang plezier te laten beleven aan sport.

Wees er van bewust dat de modellen zelf niet wetenschappelijk zijn bewezen. Doordat er diverse wetenschappelijke elementen in zijn verwerkt, betekent dat nog niet dat de gehele visie een wetenschappelijke onderbouwing kent. Het model is het resultaat van de uitwerking door onderzoekers of praktijkdeskundigen op basis van enkele wetenschappelijke inzichten en praktische kennis.
Kortom, de modellen zijn:

  • geen wondermiddel of garantie op succes;
  • niet afgestemd op de karakteristieken van elke afzonderlijke sport, (top)sportonderdeel en (top)sportcultuur;
  • niet afgestemd op elke individuele talentvolle sporter.

Vergelijk deze modellen met kookboeken. Er zijn er honderden van en in allemaal staat wel het ‘perfecte’ recept voor erwtensoep. Het lekkerste recept is daarentegen zeer persoonsafhankelijk.

Wij raden om deze redenen aan om modellen niet blind te kopiëren en te plakken op je eigen trainingscontext. Wel is het zinvol om specifieke wetenschappelijke kennis uit de modellen te gebruiken en te vertalen naar een meerjarenopleidingsplan (MOP) specifiek voor de eigen sporttak.

De gebruikte terminologie en opbouw in de modellen kan hiernaast een bijdrage leveren in het versterken van kernboodschappen per opleidingsfase. Zo geven bijvoorbeeld begrippen als ‘leren trainen’, ‘trainen voor omvang’ en ‘trainen om te winnen’ vanuit het LTAD zeer kort en krachtig weer waar de focus in een bepaalde opleidingsfase zou moeten liggen.